| |
|
|
|
|
Han
van der Kop werd op 11 april 1903 te Schoonhoven geboren. Zijn vader
was wijnkoper en gemeenteraadslid. Zijn broer was Ad van der Kop,
geboren op 2 juni 1901. Han ging naar de rijks HBS in Gouda en volgde
daarna de Kunstnijverheidschool in Schoonhoven.
In 1921 start hij zijn studie aan de Rijksacademie voor beeldende
kunst in Amsterdam, bij prof. Pluim
Dat hij een begaafd tekenaar en schilder is, blijkt uit het feit
dat hij twee keer tijdens zijn opleiding een koninklijke subsidie
kreeg. Ook won hij de James Cohen-Godschalkprijs. Om in 1931 de
Prix de Rome in de wacht te slepen.
Van 31 januari 1932 tot kerst van dat jaar verbleef hij in Rome
en Florence om er te werken in de klassieke traditie. Terug in Nederland
woonde hij in Amsterdam en Maastricht en schilderde hij vooral portretten.
Op 7 maart 1934 pleegde hij zelfmoord. Het vermoeden is dat hij
homoseksueel was, maar omdat hij daar niet openlijk voor uit kon
komen, hij geestelijk vastliep.
Zijn broer Ad van der Kop vestigde zich als landschapschilder in
Maastricht in 1940. Van 1948 – 1949 was hij voor een schilder-
en tekenstudie in Menton, zuid-Frankrijk, maar in tegenstelling
tot zijn broer slaagde Ad van der Kop er niet in zich een grote
reputatie te verwerven. Hij kwam om bij een autoongeluk op 4 maart
1963.
‘Een zuivere dwaas’
In
1956, het jaar dat Schoonhoven de collectie Van der Kop verwerft,
is een groot deel daarvan te zien op een expositie in Museum het
Catharina Gasthuis in Gouda. De Goudsche Courant van 16 april 1956
doet verslag van de opening door “mevrouw Else Mauhs, de uitnemende
actrice die zich reeds jaren geleden uit het toneelleven heeft teruggetrokken”.
De oude dame was bevriend geweest met Han van der Kop en ze roemt
‘zijn charme, eenvoud en bescheidenheid.’ Ook vertelde
ze dat het verblijf van bijna een jaar in Rome en Venetie de jonge
schilder niet bevallen zou zijn. “Hij was er de figuur niet
naar om alleen in het buitenland te vertoeven”, aldus Mauhs.
Ze noemde hem liefkozend: “der Reine Tor”, zoiets als
‘de zuivere dwaas’, die er geen bezwaar in zag zijn
mooiste tekeningen weg te geven.
|
|
|
|
|