'De grootste landschapschilder onder de dichters'
           
   

Marc Couwenbergh

Zo'n drieduizend gedichten zaten er in de koffer onder het bed van Henk Kooijman, geboren in Haastrecht in 1928, gestorven in Gouda in 1988. Zijn faam als dichter bleef tot nu toe beperkt tot Gouda en omgeving. Maar nu, ruim twintig jaar na zijn overlijden, verschijnt 'Waar ik ook ben, ik draag mijn weiland mee – Het Groene Hart in 654 gedichten'. Een omvangrijke bundel gedichten die een ode brengen aan het verdwijnende landschap van het Groene Hart. Deze bundel, samengesteld door Arjen Struik en Henk Povée, moet de gedichten van Kooijman eindelijk bij een groot publiek geliefd maken. Op woensdag 24 juni is de presentatie ervan in museumgoudA, dat ook een kleine expositie van gedichten van Kooijman heeft ingericht.

In 1984 vroeg Kooijman aan zijn vriend en dichter Arjen Struik om zorg te dragen voor zijn literaire nalatenschap. En Struik deed dat. Hij verzamelde, rubriceerde en selecteerde de duizenden gedichten van Kooijman. Maar net als tijdens het leven van Kooijman, lukte het alleen om kleine uitgaven te realiseren. ,,Van grote uitgeverijen kreeg ik steevast het antwoord dat het goede gedichten waren, maar dat er geen markt voor was”, vertelt Struik. Over de kwaliteit van het werk bestond inderdaad geen twijfel. ,,Professor en dichter Schulte Nordholt noemde Kooijman de grootste dichter van zijn generatie”, zegt Povée. ,,Ook de dichter Cees Buddingh was lovend over Kooijman.” De doorbraak kwam nadat Povée een aantal gedichten van Kooijman opnam in zijn boek 'Tien eeuwen tussen Lek en IJssel' over de geschiedenis van de Krimpenerwaard dat in 2004 uitkwam. Die gedichten boeiden de uitgever Toth dusdanig, dat men wel het werk van Kooijman wilde uitgeven. Struik wees erop dat een verzameld werk al snel duizend pagina's zou beslaan. Povée die zich sterk maakt voor het behoud van het Groene Hart, noemt Kooijman 'de grootste landschapschilder onder de Nederlandse dichters'. Hij stelde voor om te selecteren op dat centrale thema in het werk van Kooiman.

Het gebrek aan brede waardering voor Kooijman tot nu toe, heeft volgens Povée en Struik te maken met het feit dat Kooijman bij geen enkele stroming of school in de dichtkunst hoorde, maar zijn eigen weg ging. Struik: ,,Henk was voor die tijd teveel een traditioneel dichter. Hij had niets met de experimenten in de dichtkunst van toen. Hij bewonderde wel het werk van Hugo Claus, maar hij hield hij er ook afstand van, want hij wilde er niet door beïnvloed raken.” Bovendien was Kooijman niet de persoon om zijn werk actief te promoten. Povée: ,,Als een gedicht af was, was hij tevreden. Wat er verder mee gebeurde, vond hij niet zo belangrijk. Zo zijn er ook veel gedichten kwijt geraakt.” Struik herinnert zich een presentatie van een gedichtenbundel van Kooijman destijds bij kunstenaarsvereniging Burgvliet. ,,Henk was er bij, maar hij voelde zich niet op zijn gemak. Na afloop was hij meteen weg. Hij vond het moeilijk om onder de mensen te zijn.”

 

 

Veel liever zwierf Kooijman door de polders van de Krimpenerwaard. Tot 1972 woonde hij in Haastrecht. Daarna verhuisde hij naar Gouda, maar bleef lange fietstochten door de polders maken. De weilanden, de Vlist en de wolkenluchten erboven, vormden de belangrijkste bron van inspiratie voor zijn gedichten. Struik: ,,Kooijman was verknocht aan het polderlandschap van zijn jeugd. Hij zag hoe na de oorlog het leven en het landschap in het Groene Hart in een steeds rapper tempo veranderden. Hij vreesde dat het allemaal zou verdwijnen en wilde het daarom in zijn gedichten vastleggen. Behoeden voor de vergetelheid.”
Wie de gedichten leest, merkt dat de natuur voor Kooijman soms een religieuze of mystieke dimensie had. Povée: ,,Een recensent noemde hem ooit een 'poldersjamaan'. Dat vind ik de essentie van zijn werk.” Struik: ,,Van huis uit was hij, dacht ik, hervormd. In ieder geval niet zwaar kerkelijk. Hij had ook helemaal niet zoveel op met de geordende godsdienst. Wel zag hij in de natuur een hogere macht. Het is een merkwaardige, afwijkende, religieuze beleving, die past bij Kooijman. Hij koos altijd zijn eigen koers. Ook van het boeddhisme en het hindoeïsme, religies die hier op een gegeven moment aan populariteit wonnen, hield hij zich afzijdig.”

Eigenzinnigheid typeerde het leven van Kooijman. Hoewel hij leefde voor zijn gedichten, kon hij er niet van leven. Hij had allerlei baantjes, maar hield het nooit lang uit op één plek. Hij deed kantoorwerk, maar heeft ook een tijd gevaren. ,,Na de watersnoodramp heeft hij gewerkt aan het herstel van de dijken op Goeree Overflakkee”, vertelt Struik. ,,Die zware arbeid beviel hem goed. Ook het dorpsleven 's avonds. De schonen van het dorp zagen hem graag. Maar na een jaar hield hij ook dat weer voor gezien.” Langere tijd verdiende hij zijn brood met het schrijven voor verschillende kranten als de Schoonhovense Courant en het Utrechts Nieuwsblad. Maar ook de journalistiek vond Kooijman teveel een beperking van zijn vrijheid. Vrienden ondersteunden hem, zodat hij zich zoveel mogelijk met dichten kon bezig houden. Povée heeft Kooijman nooit persoonlijk gekend. Struik raakte goed bevriend met Kooijman door de gedichten. ,,Kooijman schreef heel toegankelijk. Zijn gedichten over het Groene Hart zijn heel herkenbaar. Persoonlijk vind ik de reeks 'Waarnemingsvelden' zijn meest oorspronkelijke werk. Die zijn zo typisch Kooijman. Dat soort gedichten ben ik nooit ergens anders tegengekomen.”

De presentatie van 'Waar ik ook ben, ik draag mijn weiland mee – Het Groene Hart in 654 gedichten', van Henk Kooijman, is op 24 juni om 16 uur in museumgoudA.

 
       
     terug naar startpagina www.marccouwenbergh.nl